De dood van meneer Ham

De dood van meneer Ham

 

De buurt had gestemd, de voor en tegens waren door een wat dikkige burgemeester met een laatste bosje krullend haar achterop het hoofd in kaart gebracht. Het werd unaniem besloten: de kaboutertuin voor de peuters en kleuters uit de buurt zou er komen.

Daar dacht ik aan, toen het college van meneer Ham niet door bleek te gaan en we als een kudde de trappen van het gebouw afdaalden. Ik had me niet eens ingelezen voor het college, in plaats daarvan had ik de gemeentebrieven gelezen die aan willekeurige bewoners waren gericht en rekeningen ongeopend laten wachten op een morgen. Bovendien was ik na mijn derde kop koffie gewaar geworden van de steeds klammer voelende plekken waar mijn eigen lichaamsdelen elkaar raakten. Haast letterlijker kun je jezelf niet in de weg zitten. Je rechter bil verdraagt de linker niet meer. Je oksel je bovenarm niet, je dijen elkaar ook niet. Je ruggenwervels hadden geschreeuwd als ze daartoe in staat waren geweest, verkreukeld en jeukend weggestopt onder elastieken, zoomen en vouwen van je hemd, shirt, trui en jas. Ik was dankbaar dat het college van meneer Ham niet doorging.

Het laatste college was het hem gelukt om door twee uur van opsommingen en voorgelezen herkomst van bronmateriaal de uren op te vullen. Zelfs monotonie was te zacht uitgedrukt voor het geluid van de stem dat uit de treurige man voortkwam. Maar mededogen won het niet van mijn eigen toorn. Hij stond daar maar, terwijl hij ronkend woorden uit een troebel slootje opviste om ze met opborrelende stukken schele pos ten gehore te brengen. Hij was een jongetje geweest dat ongelimiteerd sinas had mogen drinken van zijn moeder. Luchtverfrisser onder zijn oksels spoot na een wc bezoek om aan de geur van jutezakken te ontkomen die aan hem was blijven plakken sinds hij op zolders woonde. En af en toe stelde hij vragen, hetzij retorisch of niet, waarvan de echo bleef hangen in de ruimte, zelfs als we al weg waren. Voorheen deed ik niets liever dan het stellen van vragen en vond rust in diegene die geenszins een antwoord bij zich droegen. Zelfs uit de vragen die zich daadwerkelijk niets afvroegen trok ik twijfel, er was altijd een ontkrachting te vinden of in ieder geval een aarzeling.

Tot de tijd me van een loom plattelandskind naar een stadse veranderde. Verbazingwekkend hoe groot en klein je je tegelijkertijd kunt voelen op bepaalde momenten, hoe gewonnen en verloren bij een en dezelfde herinnering. Een wereldreiziger als wel een sukkelaar opgegaan in een cocon van tijd. Ik kon aan weinig anders meer denken dan aan hoe vrouwen zichzelf en hun kind traumatiseren bij de geboorte, om er later naar terug te verwijzen als de mooiste dag van hun leven. Ik zag het in alles en in iedereen terug. Ik zag het in de troosteloze uitdrukkingen die meneer Ham bij zich droeg. Hij besefte dat er meer en meer ‘als ik later’s’ voorbij gingen zonder dat er daadwerkelijk iets gebeurde. Die angst had ik met hem gemeen. De angst om keelkanker te krijgen bij elke slok hete thee, de angst van vriendschappen die steeds hechter werden waardoor er steeds meer op het spel kwam te staan, door de dodelijke vermoeidheid van de onverhoopte pogingen elkaar door elkaars ogen te laten kijken, maar in plaats van te verstrengelen bleven we hopeloos alleen en ontredderd.

Zo zag ik dat de stad de plek was waar Noach zijn ark had gelost, schuimbekkende dieren op fietsen, de zwakken, de incapabelen, de stampvoetende toeristen, de weeïge geur van natte hond en platgetrapte kroket, de montere fanfares van speelse cavia’s, de zwervers, de hoeren, de stratenmakers met kniebescherming en houten hamers. En iedereen bestreed de angst voor de stilte met flauwe grappen, eindeloze discussies, hoge lachjes afwisselend met ranzige boeren en woordeloze woorden. En dat allemaal uit een ontbindende staat van verveling.

Ik was afgezakt tot het concrete. Van de vragen die ik nu stel staat er niets meer dan een predikaat of vraagwoord op de beginpositie. Eindig ik met een leesteken waarbij men doorgaands de stem aan het einde van de zin subtiel verheft. Ik verlang me te beperken tot essentiële en zeer oplosbare vragen zoals: hoe laat is het? Of, moet ik nog wat halen in de supermarkt? Er zit geen raadsel meer in. Het is de geakkerde grond waaruit de oogst kan groeien. Een mens zou zijn land niet meer volledig moeten omploegen maar stengels vroegtijdig afknippen, de spraak reduceren tot het hoogst noodzakelijke. Laten we ons alsjeblieft beperken tot de puur logistieke en praktische zaken. Dan kan er nog eens besloten worden een kaboutertuin voor de kleintjes te bouwen op de hoek van de straat.

Ik was zo dankbaar dat het college van meneer Ham die doorging. Ik wilde me van kleding en vel ontdoen, me verstoppen tot het donker zou worden en de stad gesust door langzaam wegstommend geraaskal van idioten. Zijn perkamenten huid werd zichtbaar op de momenten dat hij de monotonie probeerde te verbreken en meestal als aankondiging voor een vraag, een slok water nam. Het was de huid van mijn opgebaarde opa, jaren geleden, diens hand ik gedwongen door mijn ouders moest vastpakken net zoals toen hij nog leefde en hij Brabantse slaapliedjes voor me zong. Het was de huid van de man die mijn vader een kip leerde slachten omdat hij met zijn dochter wilde trouwen. Terwijl twee derde van zijn kroost later vegetariër zou worden en alle ellendige trouwfoto’s aan de muren in cafés waarbij er naar een imaginair vogeltje werd gestaard hem voortaan deden herinneren aan de pijnlijkheid ervan.

Ik wilde naar huis racen. Als een kantoorman in zijn bolide, een renner op zijn galoperend paard, een uitverkorene van Noach. Buiten werd het al donker door regenwolken, dat ook nog. Waardoor het trappen je tegelijkertijd gemakkelijker af ging, als wel je de weg deed versperren want echt vooruit kwam je niet in de blazende Godzucht die als een sluier voor je neer was gestreken. Tegenwind, godverdomme.

Er zijn momenten dat je niet zo goed weet of je nu huilt of je gezicht wordt beregend. De dag dat het college van meneer Ham niet doorging was er zo een.

 

 

 

 

 

terug