de mat van Simon Meijer

 

De mat van Simon Meijer

 

In de neerwaartse hond strek ik mijn rug volledig uit. Mijn zitbotten drukken de lucht omhoog. Mijn tenen spreiden zich onder de bal van mijn voet. Mijn schouders draaien in hun kommen en ik voel energie als een injectiespuit in mijn aderen gespoten worden.

De lucht die ik niet nodig heb, laat ik langs mijn neusharen mijn lichaam verlaten. Ik inhaleer de kracht en mededogen. De wierook ontspant mijn botten. Mijn lippen grijnzen naar mijn knieën. Deze dag is mooi. Ik voel de ruimte die ontstaat tussen mijn botten en in mijn spieren, de ruimte tussen mijn hart en longen. Op de rustige stem van de instructeur laat ik mijn lichaam tot een flexibele maar sterke plank veren. Mijn vingers gespreid op de mat. Opwaartse hond. Mijn ruggenwervels lachen. De lach verlaat mijn mond. Mijn lichaam is mijn beste vriend. Ik heb hem moeten leren kennen. We zijn nooit beste vrienden geweest, mijn lichaam en ik, maar sinds de laatste jaren is dat veranderd. We zijn op elkaar aangewezen. De kromming in mijn rug ben ik. Ik sluit mijn ogen en richt mijn aandacht op mijn derde oog. Vanuit daar observeer ik mijn lichaam. Mijn pijn. Mijn vreugde. Mijn menselijke trekken.

Als ik het geld had was ik naar India vertrokken, om meer te leren. Om te leven in de cultuur waar ik thuishoor. Maar om volledig devoot te zijn heb ik afstand gedaan van alle materie die het in zijn leven heeft vergaard. Mijn nieuwe ik heeft ontslag genomen, zijn meubels aan het Leger des Heils geschonken, zijn huis verkocht en zijn geld aan goede doelen geschonken. Ik doe alles voor mijn karma. Mensen worden blind geboren en helaas sterven de meeste mensen eveneens blind, maar ik ben ontwaakt uit die donkere staat. Ik heb geleerd dat ik was beroofd van mijn zicht was en ontheemd van mijn ziel. Ik heb mijn ogen gericht op het echte leven. Het leven van de ontwaakten. Het leven gaat niet over ratio, hebzucht en eigendommen. Het gaat over dingen die er echt toe doen: de groei van een grasspriet, de ruimte tussen vingerkootjes. Het leven is mijn allerbeste vriend geworden. Meer heb ik niet nodig. Ik laat me niet meer meeslepen door menselijk drama en oppervlakkige behoeften.

Ik weet hoe een aanraking dient te voelen. Hoe een adem voelt. Ik loop mijn driften niet meer achterna. Ik neem geen roekeloze beslissingen meer. Ik luister niet naar honderden gedachtes, ik luister naar mijn lichaam, mijn hart. Ik luister naar de woorden van de mantra’s die ik chant. Ik weet wat vrijheid is en wat het is ongebonden te leven. Ik ben gelukkig. Ik bedoel, ik ben geluk.

Marie wil langskomen in mijn nieuwe optrek. Ze gooide een briefje door het open keukenraam naar binnen. Ik heb geen telefoon meer. Ik ben niet meer verslaafd, zoals mijn wereldgenoten. Verslaafd aan liefde, seks, geld, drugs en materiaal. Ik leef een vrij leven. Ik schreef haar terug dat ze altijd welkom is. In mijn huis, in mijn hart, is iedereen welkom.

Marie klopt twee keer aan. Ik werp een blik op mijn kleine appartement. Er staat het hoognodige. Een bed, een stoel, een lage tafel. De keuken staat een sapcentrifuge. Voor de ramen hangen kleurrijke gebedsvlaggen. Op mijn yogamat ligt een schapenvel voor de ochtenden waarop ik in stilte mediteer. En een altaar natuurlijk: een klein eikenhouten dressoir met een wierookstandaard, kaarsen en een paar afbeeldingen van Indiase wijsgeren.

‘Marie!’

Ik open mijn armen. Ik wil haar welkom heten. Ze komt in mijn huis, maar ook in mijn hart. Ik wil haar ruimte geven. Een hart om veilig te zijn. Iets dat ik haar jaren geleden niet kon bieden.

‘Zo, Simon, dit is dus waar je nu woont?’

Onbewuste mensen zijn zich niet bewust van de onzorgvuldigheid van hun taal. Ze stellen retorische vragen zonder daar erg in te hebben. Vaak zijn ze bang voor de stilte of proberen ze situaties en momenten aan elkaar te lijmen met taal als een inhoudsloods maar sociaal smeermiddel.

Ik antwoord haar niets. Ik wil de ruimte in mezelf vinden. Alleen vanuit mijzelf kan ik haar bereiken. Ik hoop natuurlijk dat zij zich bewust wordt van haar eigen onbewustheid, en dat ze, net als ik, zal kiezen voor het eeuwige en belangloze leven.

‘Ik heb deze maar voor je meegenomen.’ Ze houdt een fles Zeeuwse appelsap omhoog. ‘Jochem zei dat je ook geen wijn meer drinkt.’

Ik richt mijn aandacht op mijn derde oog en probeer mijn energie als een straal naar haar crown chakra te brengen. ‘Dank je wel, Marie. Bedankt voor je komst.’ Opnieuw spreid ik mijn armen, ik gebaar haar naar de woonkamer te lopen.

‘Mis je ons huis niet, Siem?’ Opeens slaat ze haar armen om mijn lichaam. De ruimte tussen mijn wervels wordt kleiner. Mijn hart krimpt. Ze laat niet los. ‘Nou, Siem, mis je het huis niet? En mij, mis je mij niet?’

Haar borsten hebben de afgelopen twee jaar geen volume verloren. Ze duwt ze tegen me aan. Ze is zeker een stuk kleiner dan ik. Haar tepels zijn ter hoogte van mijn navel. Ik adem diep in en uit en probeer contact met mijn buik te maken. Dat gaat niet zoals ik hoop. Mijn geslacht wordt warm en groot. Ik duw Marie van me af. Wat komt ze hier eigenlijk doen? Mijn rust verstoren? Waar is ze op uit? Ik wil wat zeggen, maar mijn woorden zitten vast in mijn keel. Ik heb ruimte nodig, en afstand. Mijn pik doet zeer. Ik wil tot mezelf komen. Ik loop naar de keuken. Voel hoe de zolen van mijn voeten de grond afrollen. Daar is het contact met mezelf weer. Ik ben blij dat mijn geslacht me niet in de steek laat en langzaam zachter wordt. Ik leg mijn hand over mijn hart en pak met mijn andere hand twee glazen uit het aanrechtkastje. ‘Ohm’ chant ik zo zacht mogelijk.

Met de glazen in mijn hand en de fles appelsap onder mijn arm loop ik terug naar de woonkamer. Marie is op het schapenkleed gaan zitten.

‘Er is maar één stoel’ zegt ze ‘dus ik zit wel even hier. Zit heerlijk zeg, want een zacht kleedje.’

Marie stond er het meest van te kijken. Ze had onmogelijk kunnen voorspellen dat haar bankhangende man zijn leven over de andere boeg zou gooien na een yogales. Ze had hem maandenlang gesmeekt van de bank te komen, een keer met haar mee te gaan. De eerste keer dat hij met haar meeging was ze opgelucht. Ze wilde meer contact met hem, dat was alles. Geen ruzie meer over glazen wijn, over lamlendigheid, maar contact. Ze wilde op vakantie met hem, praten over astrologie en de wereld. Ze wilde weer voelen wat ze voelde toen ze met hem trouwde.

Ik schenk de glazen langzaam vol met sap en zet er eentje voor haar neer. ‘Beter dan wijn!’ zeg ik terwijl ik mijn glas ophef. Niet dat ik zin heb om over het verleden te praten, maar misschien zal het Marie rustiger maken.

‘Ben je gelukkig met je nieuwe leven?’ Marie drinkt de appelsap in grote teugen leeg. Ik zucht. Voelt ze nou echt niets? Voelt ze niet dat ik het leven eindelijk gevonden heb. Dat dit is wat ik jarenlang zocht. Dat het volmaakt is. Komt ze nou echt mijn rust verstoren. Ik adem rustig uit, zegt: ‘Nieuw is het verkeerde woord, Marie. Dit is het leven. Ik wist vroeger niet wat het leven was. En ik ben niet zomaar gelukkig. Geluk is een emotie die komt en gaat, zoals verdriet, vreugde en lust. Mijn hart is rijk. Ik heb geen wispelturige emoties meer nodig. Ratio is een overschat en overspannen werkpaard. Ik ben, tegenwoordig.’

Marie kijkt uit het raam naar buiten. ‘Ik ben ook’ zegt ze.

‘Nee, jij bent niet.’ Ik antwoord snel en sta versteld van haar kortzichtigheid. Hoe kan ze niet begrijpen wat ik voor leven leid. ‘Jij leidt een leven waarin je je laat leiden door oppervlakkige emoties, jij oordeelt. Je leeft onbewust. Je smijt met geld, je leeft naar je begeertes. Je voelt niet echt.’ Mijn hart trilt in mijn borstkas.

Het blijft stil, langer dan ik hoop.