De projectweek

De projectweek

 

Ik wend mijn ogen af van het smartboard en probeer mijn blik op iets anders te fixeren. Ik zoek iets om mezelf mee af te leiden. Is er een leerling lastig? Iemand om te corrigeren? Op het scherm doet een Indiaas meisje haar verhaal over hoe ze als elfjarige in de prostitutie belandde. Ik voel de tranen achter mijn ogen prikken. Schrijnender kan echt niet. Er is geen geld, geen hoop, geen toekomst.

Ook bij het volgende filmpje moet ik mijn blik op de neuzen van schoenen richten om niet in huilen uit te barsten. Een kindsoldaat vertelt hoe hij mensen moest vermoorden met een schop. Ik probeer de brok in mijn keel weg te slikken en aan mijn rol als docent te denken. Mijn gedachten af te leiden van de gruwel uit de filmpjes.

Het is projectweek voor de brugklassers en er waren ons een paar dagen beloofd waarin kinderen een spel zouden spelen onder begeleiding van externe begeleiders. Leuk voor de leerlingen, rustiger voor de docent had ik in gedachten. De rondvraag voor de klas luidt: ‘zouden jullie iemand met een schop vermoorden als je in zijn schoenen stond?’

Een van de opdrachten die bij het project hoort, is het maken van een protestlied tegen de ellende van de wereld. Het zijn de laatste uurtjes van de schooldag en buiten is het vijfentwintig graden. De concentratie is ver te zoeken. Iedereen wil naar huis. We zijn al sinds negen uur vanochtend bezig met de misère van de wereld, en nu wil iedereen de vrolijkheid van de zonnige dag weer in. Ikzelf heb het er ook mee gehad. Het project probeert overduidelijk een brug te slaan tussen ‘leuk’ en ‘betrokken’. Dat werkt niet alleen op de brugklassers, maar ook op mij, behoorlijk vermoeiend.

 

Maar goed. Het protestlied moet gemaakt geworden. De verschillende teams krijgen een laptop met daarop een liedje. Karaokeversies van de vrolijkste hits van Nick en Simon, Gers Pardoel en Jan Smit klinken door het lokaal. De oorspronkelijke tekst is weggelaten en het is aan leerlingen om hun eigen protesttekst in te vullen op de melodie van het liedje. Er bestaan weinig liedjes die minder vrolijk zijn dan ‘Rosanne’ van Nick en Simon. Al zou ik de cd waar het op stond het liefst door de wc spoelen, en de radiofrequentie stante pede veranderen als ik het zou horen, geef ik toe dat het liedje een ode aan de lach is, aan de luchtigheid en aan de liefde. Op deze olijke melodie moeten de kinderen op deze veel te zonnige namiddag, een tekst schrijven waaruit blijkt hoe begaan ze zijn met de misstanden van de wereld.

 

Tijdens de voorbereidingen moet ik alle leerlingen wel vijftig keer tot de orde roepen. Ze zijn afgeleid en druk. De sfeer is broeierig. De externe begeleiders staan met open mond en neergeslagen armen te kijken naar de zich alle kanten uit bewegende pubers. Iedereen is moe en raakt snel geïrriteerd. Een autistisch meisje weigert mee te doen omdat ze niet voor de klas durft te zingen. ‘Misschien kun je rappen’ opper ik. ‘Dat is een stuk minder eng.’

 

Team blauw bijt het spits af. Het autistische meisje staat samen met drie faalangstige klasgenoten voor het bord. Rosanne klinkt door het lokaal. ‘Ze wordt vroeg zwanger’ zingt een jongen, ‘omdat ze gedwongen werd.’ Zijn stem slaat drie keer over, alsof hij in een achtbaan zit. Ik kijk het autistische meisje geduldig aan. Ze begint de tekst zachtjes mee te rappen. Meteen wordt ze afgeblaft door de begeleider van het project. ‘Zingen!’ roept ze met een schelle stem. ‘Je moet wel zingen!’

Om de situatie makkelijker te maken begin ik vrolijk mee te klappen met de melodie. Gelukkig pakken de andere kinderen het snel op. ‘Ze wil niet’ zingen we nu allemaal. ‘Maaaaaar ze moehoet wel. Want ze heeft geen geld en ook geen toekomst, weeheet je wel.’

Het is een absurd tafereel. Met vijfentwintig man staan we op een van de vrolijkste liedjes een slechte zelfbedachte tekst over pure ellende te scanderen.

Het tafereel herhaalt zich nog een paar keer. Alle groepjes zijn zo goed geweest om een vreselijk onderwerp zoals geweld of misbruik in hun liedjes te verwerken.

Ik ben opgelucht als we klaar zijn voor het laatste groepje. Team oranje. Vier jongens staan met knalrode hoofden voor het bord. De synthesizer start de wat valse melodie van het hitje. Op het smartboard verschijnt, net als bij de andere groepjes, de tekst in beeld. ‘Neer geneukt’ heet het liedje. Op het moment dat de tekst zichtbaar wordt, wisselen de jongens grimmige blikken met elkaar. De begeleider heeft niets door. ‘Afzetten!’ roep ik naar de begeleider. Verbaasd kijkt ze me aan. De tekst van het eerste couplet rolt langzaam het beeld in, ‘ze is neer gen...’ . ‘Afzetten!’ herhaal ik.

Leerlingen kijken me verbaasd aan. Bijna niemand heeft de tekst zo snel kunnen lezen.

‘Team oranje is gediskwalificeerd’ zeg ik.

De klas kijkt me afwachtend aan. Ik moet de leerlingen nu met een betweterige toon terecht wijzen, maar eerlijk gezegd staat mijn hoofd daar absoluut niet naar. Waarom zou je van leerlingen een serieuze bijdrage verwachten als je aan het einde van de dag, in twintig minuten tijd een lied over pure ellende moet schrijven op een lied van Nick en Simon. Ik ben allang blij dat de andere groepen een poging hebben gedaan.

Met mijn stem doe ik het geluid van de schoolbel na. ‘We zijn uit’ zeg ik.