De tweede corrector

De tweede correctie

 

Op dinsdagavond belde ik als tweede corrector naar mijn eerste corrector. Die avond daarvoor had ik mijn voorstellen al zorgvuldig genoteerd in een bestand dat ik als bijlage meestuurde. De docent wiens werk ik corrigeerde, zag grove taal- en spelfouten die door leerlingen in de brief werden gemaakt over het hoofd. Mag ik uw om toestemming vragen; de vraag luid; mannen en vrouwen beroepen, het werd allemaal goed gerekend. Ook in de leesteksten werden antwoorden die het interpreteren niet waard zijn (amuserende tekstsoort i.p.v. informerende) goed gerekend. Ik stelde me een docent voor met een fulltime baan en met thuis nog eens twee peuters en een jengelde tweeling. Iemand die na een drukke werkdag thuisgekomen, ook nog zes monden moest vullen. Iemand met hobby’s, met een sport en met eetclubs. Ik dacht dan ook dat ze blij zou zijn met mijn tweede correctiewerk. Met iemand die haar slordigheden weer recht zou strijken alsof ze er nooit waren geweest.

 

Maar aan de manier waarop ze me aan de telefoon begroette, voelde ik al onheil. Ze vond me streng en begreep mijn manier van corrigeren echt niet. Omdat ze ook wist dat ze geen poot had om op te staan (spelfouten zijn nou eenmaal spelfouten), ging ze met al mijn voorstellen akkoord. Maar terwijl ik de zinnen van haar leerlingen reciteerde, wierp ze me allerlei verwensingen toe. Dat ze echt niet wist wat leerlingen aan iemand als mij hebben, dat ik echt veel en veel te streng was, geen rekening met het niveau hield, dat ze het niet oneens met de fouten kon zijn, maar wel met het feit dat ik ze corrigeerde. Ze hing dan ook op door te zeggen: ‘Ik snap hier echt het nut niet van, maar ik hoop dat u zelf heel gelukkig wordt door zo te zijn.’

Met schrijfvaardigheid leren we onze leerlingen om zich goed uit te kunnen op papier. Om zich schriftelijk te redden in de wereld die volgt ná de diploma-uitreiking, zonder leerkrachten. Buiten het feit dat CITO een en ander van ons en ons programma eist, vind ik het toch echt de taak van de leerkracht Nederlands om ervoor te zorgen dat leerlingen leren zich schriftelijk goed leren representeren. Als je een komma tussen de cijfers en de letters van een postcode zet, wordt je daar in de grotemensenwereld nou eenmaal op aangerekend.

Maar ik werd neergezet als een enorme pietlut. Als een hater. Iemand die genietend toekijkt hoe leerlingen zakken voor het examen. De docent in kwestie gaf me het gevoel een NSB’er te zijn in het onderwijs. Ze vond mijn manier van corrigeren niet passen bij het niveau van de leerlingen. Het zijn ‘maar’ vmbo’ers, beargumenteerde ze. Maar laten we onze leerlingen nou niet behandelen als een stelletje imbecielen die niet in staat zouden zijn om werkwoorden op de juiste manier te vervoegen. Alles door de vingers zien omdat het ‘maar’ vmbo’ers zijn, vind ik ronduit respectloos en denigrerend.

En ja, misschien hebben we niet het type leerling dat, als het een regel in de brugklas uitgelegd krijgt, die na de zomervakantie nog steeds onthoudt. Maar wij moeten opkomen voor de leerlingen bij wie het er niet allemaal met de paplepel wordt ingegoten. Dan zweet en zwoeg je als docent maar om de leerlingen toch te laten begrijpen wanneer je luid en wanneer je luidt schrijft. Dan besteed je het hele jaar maar aan de punt die achter de afkorting t.a.v. komt. De sollicitatiebrieven van mijn leerlingen zullen tenminste niet meteen bij het oud papier belanden.

Ik ben geen pietlut, en al helemaal geen hater. Ik vind het juist onrespectvol om over leerlingen te spreken alsof ze te laag zijn een bepaalde maatstaf te halen. Of om alles maar door de vingers te zien, omdat het van die arme stumpers zouden zijn. Wij moeten opkomen voor onze leerlingen, maar dat doen we niet door de boodschap over te dragen dat hún schrijfvaardigheid met een korreltje zout genomen kan worden.

 

 

 

terug