Kerst

KERST

Ik lig met één oor op de leren bank. Met mijn andere oor vang ik de geluiden op die van de televisie komen. Er ligt een kleedje over me heen en toch heb ik het koud. Ik heb Jezus verstopt op de zolder van de kerststal en niemand weet het. Het is bijna bedtijd en als het bedtijd is doet papa een truc met de lichtjes van de kerstboom en zegt mama dat ik iets uit boom mag kiezen. Een chocolade bal of een glazuren staafje. Als ze niet kijkt, kan ik er stiekem twee nemen. Dan moffel ik er een weg in de mouw van mijn vest. Net als gister. Net als eergister.

Mama zegt dat het bedtijd is, papa zet het geluid zachter. Gaat naast me zitten, zegt: ‘goed opletten.’

Ik blijf met dat oor op de bank liggen en kijk langs mijn neus naar mijn vader die doet alsof hij de kerstverlichting uitblaast. Zijn wangen bol geblazen, zucht hij een diepe zucht en alle lichtjes gaan uit.

Hij draait zich naar me om. ‘He?!’ zeg ik en ik glimlach.

‘Let op’ zegt mijn vader, weer.

Een van de lampjes houdt hij tussen zijn vingers. Hij tuit zijn lippen, sluit zijn ogen en zuigt zoveel mogelijk lucht naar binnen. De lichtjes gaan weer aan.

Mama zegt: ‘Zag je dat, Veertje?’

Ik kom overeind en loop naar de boom toe. Ze hebben Jezus nog niet gemist. Ik kijk naar al het lekkers in de boom. Wijs naar een grote blauwe bal met goude versiersels.

‘Pak maar’ zegt mama. ‘Daarna ga je slapen.’

Ze loopt naar de keuken om de klep van de piepende vaatwasser open te zetten. Papa zet het geluid weer harder, zegt: ‘welterusten.’

Vliegensvlug pak ik een tweede bal uit de boom en stop die in de zak van mijn vest.

‘Welterusten!’

Met twee treden tegelijk ren ik de trap op naar mijn slaapkamer.

 

 

Ik heb het een na onderste plankje van mijn kledingkast leeggemaakt. De T-shirts die er lagen heb ik boven mijn broeken gelegd. Op de lege plank maak ik een fijn bed voor mijn poppen. De blonde heet Irene. Ik houd haar stevig vast en zing een liedje. ‘Niet bang zijn, Irene, ga maar rustig slapen, ik blijf bij je in de buurt.’

De oogjes van de pop vallen dicht als ik haar in mijn armen wieg.

‘Het was ook niet leuk op school, dat weet ik, maar je bent een grote meid nu.’

Ik houd de pop weer recht - de ogen gaan weer open – en duw haar tegen me aan.

Voetstappen op de trap. Het is mama.

Ze is buiten adem als ze mijn deur opendoet. ‘Veer’ hijgt ze. ‘Weet jij waar Jezus is?’

Ik slik en vind het niet leuk dat ze zomaar binnenkomt. Ik ben te groot om met Irene te spelen, vind ik. Maar Irene heeft me nodig, en dat weet mama niet.

‘Nee.’ Zeg ik.

‘Echt niet?’

‘Welke Jezus eigenlijk?’

‘Jezus uit de kerststal, hij ligt niet meer in zijn kribbetje.’

Ik wil zeggen: Irene moet naar bed.

Ik zeg: ‘Ik weet ook niet waar Jezus is, maar ik zal hem gaan zoeken.’ Ik laat de pop op de grond vallen en loop met mama mee de trap af.

 

 

We hebben weken gezocht. Ik had beloofd alle lades leeg te halen om Jezus te zoeken. Na nieuwjaar wilde mama de kerststal per se opruimen. Ze had me wel honderd keer gevraagd of ik al wist waar Jezus was.

Toen papa de kerststukken in oude kranten stond te wikkelen, ging mama boodschappen doen. Op het zoldertje van de kerststal lag hooi dat ooit van de konijnen was geweest, maar dat we al zeker twee kersten achter elkaar in een boterhamzakje tussen de andere kerstspullen bewaarde. Ik voelde met mijn vingertoppen in het hooi totdat ik iets hards tegenkwam. ‘Papa, ik heb Jezus gevonden!’

Papa kwam de woonkamer inlopen met een van de drie koningen in zijn hand.

‘Wat goed Veertje! Waar was hij?’

‘Hij lag onder de bank, ik weet het ook niet. Ik zag hem opeens liggen.’

Papa legde de koning op tafel en tilde me op. Daar was ik eigenlijk ook te groot voor. Maar mijn vader is sterk, hem lukte het wel om mij op te tillen alsof ik nog maar vijf jaar oud was.

‘Grote meid van me,’ zei papa. ‘Wat fijn! Wat zal mama daar ontzettend blij mee zijn!’ Hij drukte een natte smakzoen tegen mijn wang.

Ik glimlachte zo hard ik kon. Ik had papa blij gemaakt, dat zag ik wel.