INDUSTRIELE REVOLUTIE

 

 

Industriële revolutie:

over de machine die alles

nontkent

 

 

Ik, tegen mijn moeder: ‘mama, ik wil leren fietsen’.

Zij, tegen mij: ‘nee kind, later, later, ik moet nu eerst koken.’

Ik leerde mezelf daarom fietsen, zo moeilijk kon het immers toch niet zijn. Na wat blauwe plekken en geschaafde knieën had ik de kunst ervan door. Nu raak ik nog nauwelijks uit balans. Mijn knieën blijven heel, mijn fiets blijft rijden zonder verstoring van het evenwicht. Al doe ik mijn best, ik val niet om.

Wij waren thuis met zijn drieën, drie dochters. De noodzaak van het leren fietsen voor mijn oudste zus was vrij hoog. Ik kon voorop, mijn andere zus achterop, dus de derde, de oudste, moest op haar eigen fiets. Het was niet noodzakelijk, maar wel efficiënt, om ook mijn middelste zus te leren fietsen. Ik ging voortaan achterop bij mijn moeder, waardoor het trappen mijn moeder gemakkelijker afging, en zij het vrije uitzicht voor haar had. De noodzaak om mij te leren fietsen was er niet, en was zelfs inefficiënt. We waren namelijk nog te klein om zelf door de drukke straten te fietsen, waardoor ze überhaupt meemoest. Dus ik kon zonder problemen achterop blijven. Bovendien was het makkelijker op twee kleine waaghalzen op fietsen te letten, dan op drie. Ik bleef achterop.

Noodzaak creëert dus functie en efficiëntie. Voordat we het weten moet alles functioneel en efficiënt zijn. Vrije tijd wordt functioneel ingepland. Vakantie het liefst al maanden, of zelfs een jaar van te voren ingepland. Allerlei simpele huishoudelijke objecten moeten tegelijkertijd klein, snel droog, handig, niet breekbaar en makkelijk schoon te maken zijn. Dweilen draaien met een soepele beweging onder de diepste kastjes of banken, stel je voor dat je je rug zou moeten buigen of nog erger, door de knieën zou moeten gaan. Of wat dacht je van swiffer wegwerpdoekjes, waarbij je niet eens meer het water eruit hoeft te knijpen. Om nog niet te spreken van een centraal-stofzuig-systeem. Dat is dus stofzuigen zonder stofzuiger!

De industriële revolutie is doorgeslagen. Ik bedoel: een man met een prothese renbeen, rent tegenwoordig sneller dan een man met een echt been. Er is een fascinatie ontstaan voor machines. We willen ze hebben, uitbuiten, intelligenter dan onszelf maken en bovenal willen we op ze lijken.

Ten eerste draaien we, net als machines, vaste uren. We staan op om hetzelfde tijdstip, gaan naar ons werk, functioneren daar, we doen er wat van ons gevraagd wordt en om een vast tijdstip gaan we weer naar huis. We voelen onze honger aan in tijden: om zes uur hebben we andijviestampot honger.

Ook denken we als machines. Zo hoor je wel eens iemand zeggen: ‘als ik een dwarslaesie zou krijgen zou ik dood willen’. Maar beseft de uitspreker dan niet dat niet alles zo’n voorgeprogrammeerde keuze is, en dat je, juist als je een beetje een volledige dwarslaesie hebt, je volledig afhankelijk van andere mensen bent geworden waardoor je praktisch gezien jezelf niet eens dood kunt krijgen.

Het idee dat we op bepaalde vlakken vrijheid hebben is slechts een waanzinnige illusie. Je kunt je lichaam niet uit, ook niet als je geen dwarslaesie hebt. Helaas is de opmerking ‘ik was vandaag gewoon niet mezelf’ totaal zinloos, want dat is het hem nou juist, we zijn de hele tijd onszelf. We zitten opgesloten in onszelf. We zoeken allerlei bezigheden om het besef daarvan uit te stellen, om daarmee een claustrofobische aanval uit te stellen. Hopelijk komt die pas als we oud zijn, of in ieder geval bij de dood.

Er is je ook nooit gevraagd in dit lichaam te passen. Onze verwekkers vonden genegenheid bij elkaar en op de een of andere manier was er van abortus, ondanks de verkozen vrije wil ervan, op dat moment geen sprake. We zijn gedoemd onszelf te zijn. Sommigen proberen eraan te ontsnappen door in een hoger bewustzijn te komen, door extreme geloofsovertuiging, door pijniging van het eigen lichaam. Maar sinds de kerk uit is, en de industrie in, proberen we voornamelijk achter de werkelijkheid te grijpen door een soort overontwikkeling van machines.

Een Hoogleraar uit Nijmegen schreef een boek ‘I Cyber’ en bracht systematisch in kaart op welke manier we ons steeds vaker distantiëren van de dieren en hoe we steeds meer op gladharige, aerodynamische robots willen lijken.

 

Ik wil niet stellen dat machinale ontwikkeling onzin is, zeker niet. Ontwikkeling is noodzakelijk en dat is prima. Ik bedoel: het verschil tussen een trekschuit en een stoomtrein mag helder zijn. Of het verschil tussen een haaknaald en een industrieel naaimachine.

Alleen lijken we geneigd om telkens op een soort hysterische over-ontwikkeling te stuiten. Zo ontstond er in tijden van de trekschuit een degelijke wens naar verbetering, de stroomtrein is een beargumenteerbaar resultaat van die verbetering, maar de Fyra vervolgens een losgeslagen drang naar meer. Een ophol geslagen illusie van een machinale drang om boven onszelf uit te stijgen.

Nog zoiets: de telefoon. 150 Jaar geleden was de telefoon een communicatiebevorderend middel, de ontwikkeling van de mobiele telefoon hield causaal verband met de toegenomen mobiliteit (middels die stroomtreinen waren we immers vaker onderweg) en de i-phone is een mislukt staartje van een rudimentair takje van communicatie.

We willen altijd maar meer, meer en meer. Misschien ben ik ouderwets, maar ik word er niet goed van. De wens is in zijn soort onvervulbaar, in een oneindige strijd met de realiteit. We geloven tegenwoordig steeds minder in God of Allah of een andere Almacht, in plaats daarvan is de zieke gedachte ontstaan dat we die rol van een almacht zelf kunnen vervullen, door telkens maar achter de zintuiglijke waarneming van de banale realiteit te willen grijpen.

In de Middeleeuwen was die ziekte er al. De zieke wens om een uitverkoren plaats achter de realiteit te bemachtigen. Zo iemand als de bagijn Hadewijch bijvoorbeeld. Het Godsgeloof was enorm en Hadewijch hield het niet meer. Haar drang om te versmelten met God was zo groot dat ze visioenen beschreef waarin ze verstrengeld met God was, zelfs een soort liefde met hem bedreef.

In de jaren 60 dacht de Amsterdamse student Bart Huges in een hoger bewuszijn te komen door met een back en deckerboormachine een gaatje in zijn schedel te boren.

In de yoga zijn het de chakra’s die ons boven de wereld kunnen verheffen, in bepaalde new-ages geloven de aliens, de bonoboapen, het sap van een plant, het vruchtvlees van vruchten, of een aanraking van de Dalailama.

 

Het zijn allemaal voorbeelden van hoe er wordt geprobeerd te ontsnappen uit de banale realiteit. Als we het dan toch over efficiëntie hebben is het misschien efficiënter te bedenken hoe je je eigen machine of computertje op een simpelere manier uit kunt zetten, of kunt deprogrammeren.

Als iemand die al jarenlang GTST kijkt op een woensdagavond zijn tv niet om 8 uur op rtl 4 zet, verandert er een beetje van zijn leven. Er worden allerlei vragen opgeroepen in het hoofd van deze persoon, met een beetje geluk springt er een stopje door. Het programma raakt in de war.

Dat zouden we vaker moeten doen, zodat er een nieuw schijfje in ons hoofd vrij wordt gegeven, waarin al onze belabberde ideeën over hoe het wel en hoe het niet moet, over wat goed is en slecht, over wat normaal is en niet, bijgesteld kunnen worden.

 

Zo krijgt de manier hoe we over ‘geliefden’ denken bijvoorbeeld, een haast machinale rol in ons leven. Ik zal niet de enige zijn die, als ik alleen thuis ben bijvoorbeeld, een knagende onbestemdheid kan voelen, een ongerichte wens naar vervulling. In sommige huizen wordt die leegte opgevuld door een Chinese Kandelaar, een eikenhouten kast of een vormeloos bijzettafeltje met een verzameling lampetkannetjes. Door een miskenning wordt het meubilair gedwongen om alles te zijn wat het moet zijn, meer te zijn dan het stuk hout waaruit het gebeitst is. Maar na dat holistisch orgasme wordt je je langzaam gewaar van die miskenning, en dan pas valt je oog op de decoratieve rotzooi die je in de hoeken van de kamer zette. Zo worden er geliefde binnengesleept als stukken meubilair en weer buiten gezet tussen de lege flessen en het oud papier.

Het is de nasleep van ouderwetse ideeën die stand houden omdat we zo geautomatiseerd zijn. We moeten onze motor, ons hart, een beetje oliën af en toe.

Want, alleen wie voor een motor kan zorgen, kan voor zichzelf zorgen, schreef Robert Pirsig. En alleen wie voor zichzelf kan zorgen, kan voor een ander zorgen, zoiets staat dacht ik in de Bijbel.

Ook onze conceptie is machinaal. Het gaat erin, en het rolt er desgewenst anders uit. Een goed voorbeeld zijn de vrouwen die zichzelf en hun kind traumatiseren bij de geboorte, om er later naar terug te verwijzen als de mooiste dag van hun leven. Dit bewijst misschien wel hoe diep geworteld onze oer-mechaniek van de manipulatie is. Vanaf jongs af aan worden we erin getrained om altijd maar te zeggen ‘dat het goed met ons gaat’. Volgens de hele buurt en de supermarkt gaat het altijd maar goed met ons. We doen onszelf constant geolied voor. Het kan niet anders dan dat we leugenachtige machientjes zijn, die vroeg of laat teleurgesteld worden door het realistische feit dat op machines willen lijken maar ze niet volledig kunnen zijn. Op een gegeven moment moet je beseffen dat er steeds meer ‘als ik laters’ voorbij komen, zonder dat er daadwerkelijk iets gebeurd is. De machinale illusie houdt ons een onwaarschijnlijke spiegel voor.

Het zal dan wel ouderwets klinken, maar kunnen we niet een keer genoegen nemen met wat er is, of nog sterker: terug naar hoe het was. Het lijkt een algemene tendens om altijd maar in grote sprongen vooruit in de tijd te willen zijn, de tijd te overstijgen, onszelf te overstijgen. Op google earth kun je sinds een tijdje de maan gedetailleerd bekijken. Waar, in hemelsnaam, is dat toch goed voor. Gaat dat niet gewoon een beetje te ver?

 

Als grote kinderen begeven we ons in een machinale illusie. We bouwen voort op andermans uitvindingen, maar wat nou als een belangrijke wetenschapper dood gaat, wat gebeurt er met zijn ideeën? We hebben niet de mogelijkheid een harde schijf uit zijn hoofd te halen om er data van af te lezen. We zijn helemaal geen machines. Dus laten we ons niet zo geautomatiseerd voordoen. Misschien moet we het wiel juist wel opnieuw uitvinden, zodat we weten waar we mee bezig zijn en onze waarneming een beetje opgefrist wordt. Zodat we allemaal zien dat Humbert Humbert uit Nabokov’s Lolita geen slechte man is, we weer om kunnen vallen op de fiets, onze knieën weer kunnen schaven. We zouden onze okselharen weer kunnen laten staan omdat we in plaats van op imaginaire machines, weer op een aap of neanderthaler kunnen en durven lijken.

 

Vanuit al deze gedachtes begon ik een eigen logica te onderbouwen door installaties te bouwen die een machinale illusie bij zich hebben, maar zichzelf en mij tegenwerken.

Ik word er zo moe van om telkens alleen maar vooruit te gaan. Ik wil dit keer niet bouwen aan ontwikkeling maar aan de-ontwikkeling of ‘dontwikkeling’ nee, ik werk aan ‘nontwikkeling’.

Vroeger had het Nederlands een dubbele ontkenning, zoals het Frans nog steeds kent: hadden wij het woordje ‘niet’ gevolgd of voorafgegaan aan de negatiepartikeltjes ‘en’ of ‘ne’. Een woord als ‘niemand’ werd uitsproken door het woord ‘iemand’ te ontkennen. ‘Ne iemand’ dus, maar natuurlijk is dat jaren heen verbasterd tot het woord ‘niemand’ en zijn we de negatiepartikeltjes uit het oog verloren. Ik bouwde er een machine voor omdat een totale arbitraire indeling lijkt dat we woorden als iemand en niemand hebben, ooit en nooit, ergens en nergens, iets en niets, maar we niet de koppeltjes echt en necht hebben, of anders en nanders. En dus: ontkenning en nontkenning waarbij nontkenning de ontekenning van de ontkenning is en dus net ze dubbel als de ontkenning met niet ‘ne’ en ‘en’, waaruit de taal immers bestond.

Ik denk dat deze machine net zogoed een ontkenningmachine is maar verder getrokken dan een soort opvallend probleempje op woordniveau.

De machine die ik draag ontkent niet alleen een machine te zijn, in dienst van mij, het nonkent: het ontekent de ontkenning dus. Het nonkent mijn eigen eigen dienstbaarheid of efficiënte ten opzichte van de stukken hout. Ik heb iets gemaakt wat niets is, of er niet is.

Bevestiging is de fase die voorafgaat aan ontkenning, bevestiging is het keiharde concrete antoniem van ontkenning. Maar de ontkenning van de ontkenning is een abstracte dubbele ontkenning die vroeger, maar ook nu nog in dialecten bijvoorbeeld, voorkomt.

Dat is mijn punt, daarom maak ik de machines. Het is mijn antwoord op een vraag die geen antwoord behoeft, omdat het ding ansich aan functionaliteit voorbij is gegaan. een contra-antwoord voor een contra-machine. Een functie van het functieloze, een inefficiënte functie in een functieloos object.

Maar ja. Dat is nu makkelijk gezegd. Als er, zoals eerder, of bijvoorbeeld straks of morgen, iemand vraagt ‘wat is het?’ of erger nog ‘waar het voor? Weet ik dat het bloed naar mijn hoofd zal stijgen, mijn handen zich tot vuisten achter mijn rug ballen. Mijn hart een keer over slaat, of juist versnelt. En ik, twijfelend en zachtjes, zoiets zal mompelen als: ‘hmm ja, ach, tja uhm, gewoon een machine, snap je?’