Sandalen

Sandalen

 

De sandalenwinkel zag er elke winter verlaten uit. Alsof verhuizers maanden geleden de laatste dozen sjouwden. In de winter wil er toch niemand nieuwe sandalen, zei Vincent, en daarom sloot hij elk jaar rond november met zijn vader de lamellen van de etalage. ‘Waarom verkoop je ’s winters niks anders?’ was het eerste wat ik hem vroeg toen hij zich aan me voorstelde als de zoon van Jan, de man die mijn doorgesleten zolen voor nieuwe verving. Vincent haalde zijn schouders op, maar Jan, die een spijker door de nieuwe zool sloeg, begon hard te lachen. ‘Iets anders? Ach kind, mensen willen niks in de winter! Slapen willen ze! En vreten. Ze zeggen dat we van de apen komen, nou moe, volgens mij komen we van de beren. Je kunt niks verkopen in de winter. De Appie om de hoek verkoopt al vreten, en verder zoeken ze het maar uit. Als er geen sandalen nodig zijn, dien ik niemand meer.’ Ik keek naar Vincent, en Vincent keek naar mij.

 

Als ik mijn fiets op slot wil zetten staat hij al achter me. Er steekt een prei uit zijn tas. ‘Wat gaan we eten?’ vraag ik als ik achter hem de trap van de verlaten sandalenwinkel oploop. ‘Dat zie je zo wel, plof maar op de bank. Mijn vader is niet thuis, dus leg gerust je voeten op tafel.’

Ik nestel me in twee grote kussens waar stugge hondenharen aan kleven. ‘Jij zat toch op de hotelschool?’

‘Ja, maar nu werk ik bij de ABN, dus dingen kunnen echt wel anders lopen zie je maar.’

Ik heb eigenlijk geen zin om te praten, maar ja, ik moet wel. ‘Kan ik helpen? Ik ben een kei in uien snijden. Ik kom uit een boerenfamilie.’

Vincent lacht. Met een keukenschort voor komt hij naar de bank en springt op me. ‘Je hebt mooie ogen, Lilly. En lekker zacht haar.’

Hij heeft de ogen van iemand die ik vaker heb gezien. Zo donker bruin dat het tegen zwart aanzit, waarin, als je goed kijkt, je eigenlijk alle kleuren kunt zien. Van donker groen tot donker paars. Een gecamoufleerd kleurenspectrum waarover een zwarte gloed is neergedaald. Schuil gehouden achter grove zwarte wimpers. Hij heeft de ogen, ik weet het zeker. Op het moment dat ik me gelukkig voel, staat hij op om door het eten te roeren. De hond die Harry heet drukt zijn natte vierkante neus tussen mijn knieën. Als je bij iemand komt eten, kom je eigenlijk niet om te eten. Het moet ook altijd omslachtig. Jan bestelde de nieuwe zool uit Duitsland, de bestelling was drie weken onderweg. Ik had ook gewoon nieuwe sandalen kunnen kopen.

 

Aan tafel zegt Vincent dat hij me mooi vindt. ‘Ik moet je wat vertellen’ zegt hij. Wat het ook is, ik vind het er te vroeg voor en voel een nare kriebel langs mijn ruggengraat mijn nek ingaan. ‘Je hebt ooit een poes doodgereden?’ raad ik. Vincent kijkt me schuin aan. ‘Je bent eigenlijk een zwarte Afrikaan maar je hebt je huid getatoeëerd? Oh, dat vind ik helemaal niet erg hoor.’ Ik klem zijn voeten tussen de mijne.

‘Ja, dat ook ja, maar wat ik wilde zeggen is dat ik het eergisteren pas uit heb gemaakt met mijn ex.’

Het vlees is taai, en hoe langer ik erop kauw hoe smaaklozer het wordt. Ik verzin een manier om het uit te spugen en stiekem onder de tafel aan de hond te voeren, maar het lukt me niet om een goede manier te bedenken.

‘Ben je nog verliefd of zo?’ vraag ik dan maar.

‘Nee.’

Het vlees wordt echt ranzig.

‘Of ja.. niet verliefd, maar ja, je bent toch vier jaar samen hè.’

Ik kijk in de ogen van de man. Als hij hard zou lachen zou hij ze tot spleetjes kunnen knijpen. Lachen doe je met je ogen, zei mijn moeder altijd. Dat wist hij ook.

‘God ja, en nu dan?’

‘Ik wilde het je gewoon vertellen. Ik wil niks voor je achter houden, snap je?’

Ik snap er niks van. Ik kan me niet meer herinneren wanneer ik dat taaie stuk dij of bil heb doorgeslikt.

‘En jij? Jij nog relaties achter de rug?’

‘Nee.’

Hij lijkt opgelucht. Maar dat leek hij al bij zijn wedervraag. Hij is blij dat het eruit is denk ik.

‘Ik heb tegen haar gezegd dat ik jou heb ontmoet.’ Ik merk aan hem dat hij hier zin in heeft. ‘Ze vindt het erg moeilijk.’

De saus is te zout.

‘Maarja, Lilly, ik zei tegen haar: ik wil gewoon eerlijk tegenover iedereen zijn. Snap je? Tegen haar, tegen jou, tegen mijzelf.’

Ik knik. Neem een slok water. Denk aan het doorschijnende spectrum.

‘En ik zei: ik zag haar en ik was gewoon verkocht.’ Vincent lacht naar me. ‘Mijn vader snapte er niets van, niet dat hij jou niet leuk vindt hoor! Maar hij zei: hoe weet je dat allemaal zo snel dan? En ik zei toen, pa, dat is iets wat je gewoon voelt, weet je wel.’

Vincents drang tot autocitatie begint me te irriteren. Mensen die zichzelf citeren moeten niet op hun woord geloofd worden.

 

Na het eten stapelt hij de borden op en loopt naar de keuken. Als hij terug komt loopt hij op me af en betast mijn lichaam. ‘Ik wil graag rustig aan doen’ zegt Vincent. Buiten komt met veel geraas een tram voorbij waardoor mijn stem überhaupt verstomt zou worden als ik iets zou zeggen, dus zeg ik niets. Vanuit de bovenverdieping voelt de sandalenwinkel niet meer verlaten. Jaren was ik benieuwd waarnaar ze zouden emigreren. Een luxueuze sandalenwinkel in Milaan, een appartement in Copacobana vanwege een jaarlijkse havaianabeurs in Rio, maar Jan zocht de warmte van oude vriendinnen, of nestelde zich als een beer in zijn harige kussens voor de televisie met Harry aan het voeteneind. Vincent was alleen maar opgelucht als hij de lamellen in november sloot. Hij hield meer tijd over voor de leuke dingen in het leven, had hij gezegd toen ik met nieuwe zolen aan mijn oude sandalen mijn fiets van het slot haalde die geparkeerd stond tegen de ruit met de stikker dat je er geen fietsen mocht plaatsen. ‘Sorry,’ zei ik, wijzend op de stikker. ‘Geeft niets,’ zei Vincent. ‘Kom anders eens eten.’

 

terug