Wasmachine

Wasmachine

 

Zullen we met de trein gaan?’ had Peter blijkbaar gevraagd aan de jonge vrouw uit de van Heemskerkstraat zes, zes hoog, in Nijmegen. Ze had haar hoofd geschud en gezegd dat hij alleen moest gaan. Met zijn tas op zijn rug was hij achter de bus naar het station gelopen. Sneeuw van een week geleden plakte aan zijn zolen. Op perron drie kruisten onze wegen, maar dat hadden we toen nog niet kunnen weten. Een behaarde man kondigde luidkeels de aankomende en wegrijdende treinen aan in seconden, in zijn handen een onaangeroerd starbucksbekertje, waarvan ik niet vermoedde dat er iets in zat. Onbekende mensen liepen, renden of sjokten voortdurend voorbij. Zoals je ’s zomers mieren over je aanrechtblad hebt lopen zonder dat je weet waar ze vandaan komen, want bij elke deur of raam naar buiten staan opgestapelde lokdoosjes. Deze mensen zouden vertrekken of juist terugkomen, ze verlieten of zochten op. Ze gingen naar een leeg huis om te blijven of keerden vanavond nog terug. Op het perron blijft het moeilijk te bepalen welke gedachtes toe te laten omdat je niet weet of de ene wel opweegt tegen de ander. Jongens staarden naar hun gympen, droegen muziek die jij ook kunt horen in hun oren. Een vrouw met een grote bos bloemen, net ontvangen of om te geven. Een vrouw met een koffer op wieltjes met een bestemming voor een luchthaven erop, een vrouw met een kind, eentje met wankelende hakken, eentje met vermoeide ogen. Mannen met haast, mannen met koffers, met kranten, koffiebekers, ingepakte dochters. Meisjes met ontevreden uitdrukkingen zonder jassen in weer waarvan mijn moeder zou zeggen dat het hondenweer is.

Terwijl de man in seconden de aankomende treinen bleef scanderen was ik normaal gesproken in huilen uitgebarsten. Ik stelde me voor hoe een medewerker me op had kunnen rapen, naar de gang had kunnen slepen waar je ook gevonden voorwerpen, voortvluchtigen en internationale poststukken naartoe kunt brengen.

‘Het is een junk’ zei Peter, die toen nog een onbekende jongen voor me was. Ik keek hem aan en hield mijn tranen in. ‘Hij staat hier altijd’ zei hij, wijzend op de man ‘hij wil munten in die beker.’ Zeven minuten dat we op de trein moesten wachten bleef hij dicht bij me staan. We zeiden niet veel. Af en toe keek hij me glimlachend aan waardoor ik vergat dat ik op het perron stond.

 

Peter kon niet weten dat ik naast treinen en perrons, ook de centrifugestand van mijn wasmachine lastig vond. Een paar uur voordat hij aan zou bellen dacht ik dat mijn wasmachine zou exploderen. Het wasprogramma heeft iets huiselijks, het domme gerommel met soms het geluid van kabbelend water. Maar na twee uur verandert het huiselijke in een soort terreur, alsof je huis vanuit de badkamer belegerd wordt. Buiten donderde het ook nog eens, dus was ik met mijn voeten tegen de verwarming gedrukt in een foetushouding op mijn tapijt gaat liggen. De stoelpoten trilden, de plank op de koelkast die licht tegen het gipsen muurtje aanleunt waarachter de wasmachine zijn toeren draaide, schudde mee. Daarop trilden de lepeltjes met koffieresten. Een rond stuk fruit balanceerde tussen de paar millimeter van de rand van de plank en de afgrond eronder.

Toen Peter binnenkwam begreep hij niet wat ik tegen de verwarming aandeed. Hij kuste mijn wang maar proefde geen tranen, terwijl het opgedroogde zout zich hardnekkig in mijn poriën beet. ‘Ben je verdrietig?’ vroeg hij uiteindelijk toen ik bevend omhoog kwam en daarbij ook nog eens een stoel liet vallen. ‘Het is gewoon het weer,’ had ik geantwoord. Terwijl hij me vastpakte luisterde ik naar de donderslag die overstemd werd door de roterende spanning uit de badkamer. De gestapelde handdoeken zouden meetrillen, het ongedierte zou er hersenschudding van krijgen, maar zelfs die gedachte won het niet van de angst.

‘Je wasmachine gaat wel te keer zeg!’ Peter kwam lachend de badkamer uit.

 

Die ochtend daarna had ik hem in mijn bed gevonden. Hij lag onder mijn lakens. Tussen zijn blonde wimpers keek hij me verschrikt aan, als een geschoten vogel. Vergeten waar hij wakker werd misschien, van wie de naakte borsten waren tussen de armen die zich voor het open raam uitrekten.

Na herkenning had hij borsten omklemd, ze meegenomen naar zijn nest en ze zich eigen gemaakt. Niet veel later was er koffie gezet en gedronken en toen ging hij weg.

Zeven dagen later was mijn inbox leeg op een sms van mijn moeder na. Ik besloot hem te bellen. Als er ook ditmaal afgewezen zou moeten worden, zou ik dat doen. Nog voordat hij het kon doen. Hij nam niet op. Ik smeet het ding naar de andere kant van de kamer en roerde in de pan soep tot de soep was verdwenen.

Ik besloot de wasmachine aan te zetten, en alvast met mijn voeten tegen de verarming gedrukt op het tapijt te gaan liggen. ‘Ik moet naar Nijmegen’ had hij gezegd toen hij wegging. Hij zou die avond vader worden, maar dat wist ik toen nog niet.

 

 

 

terug