Worst

De worst

 

Een man zat op een afgezaagde boomstronk in een tuin die zo groot was als het hele eiland waarop hij woonde. Het eiland, voorzien van loofboomgroei en klein wild, voelde als zijn eigendom. Al is het de vraag aan wie natuur toebehoort.

Er hingen donkere regenwolken boven zijn eiland. Dat deerde niet. Wat hem deerde was het brandende gevoel in zijn maag. De slurpende geluiden van zijn om aandacht vragende ingewanden. De man had honger.

Al maanden leefde hij van de vezelachtige structuur van planten. Brandnetels, weegbree, lisdodde en vogelmuur stonden dagelijks op zijn schrale menu. Meters boven zijn hoofd cirkelden vogels. Hij dacht er soms aan hoe hun kaal geplukte borstjes zouden smaken. Bij de gedachte aan het eten van de vogels speelden zijn speekselklieren op. Zijn maag knorde als een wild varken.

Toch bleef de man zitten op zijn boomstronk. Het ensemble aan hongergeluiden, waar hij vol verbazing naar luisterde, bewoog hem er niet toe om zijn zondige gedachte waar te maken. Was het lui- of lafheid, gewenning, ondervoeding, honger of zwaarmoedigheid, hij wist het niet.

De natuur begon om aandacht de vragen. Eerst huilde ze regendruppels, vervolgens stortte ze volledig vergramd zakken met hagel uit haar goddeloze hemel naar beneden en toen de man nog steeds, onbewogen op zijn boomstronk en blind voor haar woede bleef zitten peinzen, blies ze hem er zowat met al haar kracht vanaf. Metersdikke wolken hoopten zich op voor de zon. Het eiland werd gitzwart. En koud.

“Oké, oké”. De man stond zuchtend op en bewoog zich naar zijn hut waar hij zich kon afschermen van het weer. Op zijn bed van dennentakken en gedroogd gras sukkelde hij in slaap.

De man droomde van een tafel gevuld met etenswaar. Salade van kersverse groenten, zwetende kazen uit warme landen, gebakken, gekookte, gepocheerde en gevulde eieren, appelbeignets, perentaartjes, kannen vol met wijn, bekers met verse koeienmelk en schalen vol brood met knapperig gebakken korsten. Hij voelde de structuren van het eten tussen zijn lippen. Hij proefde de smaken ervan met zijn tong. In zijn droom kolkte de wijn zijn lijf binnen en het vervulde hem met een warm en veilig gevoel. Toch ontbrak het hem aan iets in deze hemelse droom. Met beide handen greep hij al het eetbare goed en bracht het naar zijn mond. Linkerhand, rechterhand. Hij kauwde. Smakte. Spuugde. Slikte. Likte zijn lippen, maar het gevoel van grote leegte, het gevoel brandende honger werd niet gestild. Toen zag hij in het midden van de tafel, een grote vorm voor hem liggen die hem nog niet was opgevallen. Een kleur tussen donkerbruin en dieprood. De geur liet zich omschrijven als de warme damp die opstijgt uit stapels natgeregend hout, als de subtiele maar geconcentreerde lucht die om de botten van allang verteerde beesten blijft hangen. Hij tilde het ding met zijn rechterhand op. Legde het zorgvuldig neer in de palm van zijn linkerhand. Keek ernaar. Snoof de geur op. Likte voorzichtig met zijn tong langs de haast reliëfloze buitenkant. Beet met zijn tanden in de vlezige structuur. Sloot zijn ogen, en dacht opeens aan de keuken van zijn moeder.

Met kloppend hard schrok de man wakker. Toen hij de takken en blaadjes in zijn rug voelde kriebelen, werd hij zich pas gewaar van de wereld waarin hij woonde. Van het eiland, van zijn loofbomen, van de smaak van brandnetels. Er daalde een gevoel van eenzaamheid over hem neer. Het grote gevoel van de leegte, rommelde niet alleen in zijn maag, maar ook door zijn hart en door zijn aderen. Hij dacht na over zijn droom. Stond moeizaam op, verliet met gebogen rug zijn hut, zag dat de storm weer was gaan liggen en zette zich weer neer op zijn boomstronk.

De vogels cirkelen weer boven zijn hoofd, opzoek naar klein grut om hun jongen mee te voeden. Langs zijn eeltige voeten huppelde een konijnenfamilie. Dit is mijn eiland, dacht de man. Alles hier is van mij. En hij prees zichzelf rijk.

De hele dag bleef de droom hem achtervolgen. Hij bakte wat planten in een roestende braadpan op de vlammen van een oranje vuur. En dacht aan de tafel die gevuld met lekkers was, maar waarvan niks hem zodanig had kunnen bekoren als het donkere ding in het midden.

Na maanden verkleefd te zijn aan zijn boomstronk, stond de man, gedreven door zijn droom en aangezet door vraatzucht, eindelijk op. Hij verliet de veilige omgeving van zijn hut en stronk en dwaalde de bossen door, opzoek naar iets met dezelfde vorm, dezelfde geur en kleur als het ding in zijn dromen.

Hij groef donkerbruine wortels uit, bracht de toppen van dikke rietstengels in zijn mond, kauwde op verharde vossenpoep, woog takken van verschillende bomen en verschillende grootte in zijn hand. Maar niets wat hij in het bos vond, was vergelijkbaar genoeg met het ding uit zijn droom. Niets had diezelfde vlezige structuur, niets die sterke smaak.

Bij een klein meertje aangekomen staarde hij het stilstaande water in. Grote vissen verscholen zich diep in de modderige bodem. Hij dacht aan de mogelijkheid een vis te pakken. De smaak en geur ervan te vergelijken met het ding uit zijn droom, maar wuifde het idee, dat hij zelf uitermate bizar vond, al snel weg.

Wie stopt er een vis in zijn mond, dacht hij. Welk mens zou zoiets doen.

De zon ging langzaam onder. De man verlangde naar zijn boomstronk, maar was te verzwakt om terug te keren. Zijn lichaam had nog nooit zo leeg gevoeld. Zijn bloed dun en kleurloos als water. Zijn armen vielen grauw en krachteloos langs zijn uitgemergelde torso. Honger. Dat was wat hij had.

Duizelig door de tocht die hij ondernomen had, liet hij zich vallen in de rietkraag bij het water. Zijn tong, droog en gezwollen, stak uit zijn mond. Zijn ogen vielen langzaam dicht.

In deze, hij dacht zelf, stervende staat, dacht hij opeens weer aan zijn moeder. Aan de knoop op haar geblokte keukenschort. Aan het gedroogde bosje lavendel naast de deur. De andere wereld waar hij met haar had geleefd. In een stenen huis in een stad met mensen. Een wereld die volledig onverenigbaar was met de wereld van zijn eiland. Langzaam voelde hij zijn lichaam sterven. Zijn moeder draaide in zijn herinnering haar hoofd naar hem toe. Tussen haar handen een plastic verpakking met hetzelfde object erin als zijn droom. ‘Wil je worst?’ praatte haar lippen.

Ze haalde de worst uit het plastic en reikte het naar hem toe. Het had dezelfde smaak als het object uit zijn droom. Zielsgelukkig, voelde de man zich. Hoewel hij van vermoeidheid niet meer op kon staan, kon hij wel de herinnering aan de supermarkt ophalen. Hij memoriseerde zich de schappen vol met kleurrijke worsten. Was er maar een supermarkt op dit eiland, was zijn laatste gedachte. Dan had ik, net als mijn moeder, worsten kunnen eten. De man blies zijn laatste adem uit. Een vogel landde op zijn onderbuik. Een konijn snuffelde aan zijn tenen.

 

 

 

terug